(Click here to read this blog post in English.)
Barmhartigheid is de moeder van het heil.
Zo nu en dan wandel ik als stadsgids door Utrecht. Dan neem ik familie, vrienden of bekenden mee langs de plekken waar de ziel van de stad voelbaar is. Geen rondleiding is hetzelfde, maar mijn beginpunt ligt altijd op het Domplein. Voor mij is dit de plek waar Utrecht werkelijk begon. Hier bouwden de Romeinen bijna tweeduizend jaar geleden hun fort, het castellum Traiectum. Het lag bij een doorwaadbare plek in de Rijn, die toen de noordgrens van het Romeinse rijk markeerde. Van hieruit hielden soldaten de wacht tegen invallen van Friezen en Saksen. Eeuwen later begon op dezelfde plek ook een ander hoofdstuk namelijk de komst van het christendom. Rond 695 stak de missionaris Willibrord vanuit Engeland over. De paus gaf hem de opdracht de Friezen te bekeren, en Utrecht werd zijn uitvalsbasis. Op het Domplein, in de resten van het Romeinse fort, bouwde hij zijn eerste kerk, de Sint-Maartenskerk. Geen grootse kathedraal, maar een eenvoudige plek die een keerpunt betekende. Want hier ontstond de eerste bisschopszetel van de Noordelijke Nederlanden. Vanaf dat moment groeide Utrecht uit tot het religieuze hart van de Lage Landen. Later zouden de Domkerk en de Domtoren verrijzen op de fundamenten van Willibrords missie.
Christendom en mededogen
Met het christendom kwamen er niet alleen kerken, maar ook ideeën die het leven van de stad eeuwenlang bepaalden. Eén daarvan was mededogen, zorg voor de ander, juist voor wie weinig had. Die zorg kreeg al snel een gezicht. In de stad ontstonden kloosters en gasthuizen waar pelgrims en zieken terecht konden. In de eeuwen daarna verrezen de hofjes en godskameren, kleine woningen, vaak gesticht door rijke burgers of gilden. Wat begon als een daad van geloof, groeide uit tot een netwerk van plekken waar armen beschutting vonden. Een hofje bood niet alleen een dak boven het hoofd, maar ook een stukje gemeenschap: een tuin, een waterput, een plek waar mensen elkaar kenden.
Tot op de dag van vandaag zijn deze hofjes en kameren stille getuigen van eeuwenoude barmhartigheid. Loop erdoorheen en je voelt nog altijd die mengeling van eenvoud, stilte en saamhorigheid.
Rijke burgers en een plek in de hemel
De bouw van hofjes en godskameren was niet alleen pure goedheid. Het paste ook bij het katholieke geloof van die tijd. Wie zijn rijkdom deelde met de armen, hoopte daarmee ook iets voor zichzelf te verdienen: een betere kans op een plek in de hemel. Daarmee sloot Utrecht naadloos aan bij haar beschermheilige Sint-Maarten, de soldaat die zijn mantel deelde met een verkleumde bedelaar. In zijn geest werd de stad een plek waar zorg voor de armen en hoop op zielenheil hand in hand gingen. Vaak moesten de bewoners van hofjes zelfs dagelijks bidden voor de ziel van hun weldoener. Zo werd een hofje niet alleen een dak voor de armen, maar ook een levend monument van wederkerigheid: de arme mens bad voor zijn weldoener en daarmee hoopte de rijke dichter bij de hemelpoort te komen.
Voorbeelden van armenzorg
Een prachtig voorbeeld is de Bruntenhof, (google maps) gesticht in 1621 door de advocaat Frederik Brunt. Hij liet vijftien eenvoudige huisjes bouwen voor arme weduwen. Ze kregen er gratis onderdak, en ook brandstof en levensmiddelen. Tot op de dag van vandaag wordt er, dankzij een eeuwenoud testament, nog steeds geld uitgedeeld aan arme of zieke ouderen.

Ook de Kameren van Jan van Campen in de Schalkwijkstraat (google maps) vertellen dit verhaal. Deze geestelijke begon in de 16e eeuw met het bouwen van kleine woningen voor wie het niet breed had. Eeuwenlang woonden hier mensen die sober leefden, vaak afhankelijk van de zorg van rijkere stadsgenoten. Dat de huisjes er nog steeds staan is bijzonder, want in de jaren zestig en zeventig dreigde de sloophamer overal. Tegenwoordig worden sommige weer bewoond, soms zelfs door kunstenaars, maar de sfeer van eenvoud en kwetsbaarheid is gebleven.

En dan is er ook nog de Leeuwenbergh, aan het Servaasbolwerk (google maps) een gasthuis gesticht in 1562 door Agnes van Leeuwenbergh. Het bood onderdak aan armen, daklozen en pestlijders. Voor velen was er geen uitzicht op genezing, maar er was wel zorg – en dat was misschien nog belangrijker. Samen vertellen deze plekken het grotere verhaal van Utrecht: een stad waar geloof en compassie vorm kregen in steen.

Waarom ze bewaard moeten blijven?
Hofjes en godskameren zijn meer dan oude huisjes. Ze zijn erfgoed, de stille herinneringen aan een stad die niet alleen groot werd door handel en macht, maar ook door mededogen.
Als je een hofje binnenstapt, verstomt het lawaai van de stad. Je komt in een besloten wereld waar de tijd trager lijkt te gaan. Voor mij zijn dat momenten van romantiek en nostalgie. Ik herinner me nog hoe sommige hofjes er in mijn jeugd bij lagen. Erg vervallen met scheve deuren en afbladderende muren. Het leek alsof de stad haar zorg had opgegeven en dat dit erfgoed plaats moest maken voor beton. Gelukkig zijn ze nu hersteld, opgeknapt en opnieuw bewoond. Waar ik vroeger somberheid zag, zie ik nu schoonheid en trots. Juist daarom moeten we deze plekken koesteren. Ze brengen balans in een stad die voortdurend verandert. Zonder hofjes en godskameren zou Utrecht niet alleen een deel van haar erfgoed verliezen, maar ook een deel van haar ziel.

En voor mij, als fotograaf, zijn het stuk voor stuk fotogenieke plekken. Het spel van licht en schaduw, de oude gevelstenen, het groen dat zich tussen de stenen nestelt, het zijn beelden die blijven spreken. In deze hofjes en kameren ligt de essentie van Utrecht namelijk ingetogen, menselijk en vol verhalen die wachten om verteld te worden. Ze laten zien dat geloof en eigenbelang, compassie en vroomheid, altijd naast elkaar hebben bestaan. En misschien is dat wel de mooiste erfenis van mijn stadsie, dat mededogen niet iets van vroeger is, maar iets dat we telkens opnieuw mogen oefenen.
Misericordia est mater salutis
Barmhartigheid is de moeder van het heil.
In de stille hofjes achter smalle poorten
waar tijd zich verzamelt in verweerde stenen
ademt de zorg voor hen die weinig hadden
armen vonden er beschutting, brood en rust
schaduw van bomen streelt verweesde muren
regenten hoopte op een plek in de hemel
maar hun gebaar leeft in elke binnenplaats
waar stilte geen leegte is maar herinnering
een stad die zich om haar zwaksten heen vouwde
en in besloten tuinen mededogen liet bloeien
Afbeeldingen:
Alle foto’s door André Brockbernd © tenzij anders vermeld.
Geraadpleegde literatuur:
Hofjes van Utrecht
door: W. Thoomes
Uitgeverij Matrijs – Utrecht | 1984